Blijvende nood aan zeer grondige motivering toelating pop-up bar – Raad van State vernietigt opnieuw een principieel toegelaten pop-up bar in agrarisch gebied

Pop-up bars in agrarisch gebied blijven hip. De combinatie ‘sociaal netwerken’ en genieten van het landschap blijft aantrekkelijk. Zij kunnen evenwel ook de rust verstoren van omwonenden. Beslissingen van een lokaal bestuur waarbij een toelating wordt verleend voor de uitbating van dergelijke bars blijven dan ook het voorwerp uitmaken van juridische procedures.

Zo moest de Raad van State zich recent ook weer uitspreken over een pop-up bar in agrarisch gebied, met name over het opzetten en uitbaten van pop-up bar ‘Ganzerik’ in de gemeente Geel.

Vast rechtspraak van de Raad

Het is inmiddels vast rechtspraak van de Raad van State dat elke toelating voor een pop-up bar ook moet worden getoetst aan de planologische bestemmingsvoorschriften.

De Raad lijkt hierbij al enige tijd een veralgemeende directe werking van het koninklijk besluit van 28 december 1972 ‘betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen’ (verder: ‘het Inrichtingsbesluit’) te verlenen op alle overheidsbeslissingen die een toelating verlenen tot grondgebruik in een bepaald bestemmingsgebied (zie o.m. de recente arresten RvS 9 april 2025, nr. 262.957; RvS 22 maart 2024, nr. 259.233) en dit op basis van het legaliteitsbeginsel.

Op grond van het legaliteitsbeginsel is de Raad van oordeel dat een lokaal bestuur bij de beoordeling van een aanvraag tot toelating voor een pop-up bar ook steeds moet nagaan of de toegelaten pop-upbar ingepast kan worden in de bestemmingsvoorschriften voor het agrarisch gebied.

Krachtens het inrichtingsbesluit geldt in het agrarisch gebied het planologisch criterium dat het om landbouw moet gaan.  De Raad van State oordeelt steevast dat de toelating voor pop-upbars in agrarisch gebied principieel in strijd is met het bestemmingsvoorschrift zoals vermeld in artikel 11.4.1 van het Inrichtingsbesluit (zie o.m. RvS 9 april 2025 nr. 262.957; RvS 22 maart 2024, nr. 259.233; RvS 27 juli 2022, nr. 254.297).

Het lokaal bestuur moet volgens de Raad van State de toelating van een pop-up bar dan ook steeds toetsen aan de afwijkingsbepaling van artikel 4.4.4, §1 VCRO voor sociaal-cultureel of recreatief medegebruik.

Dit artikel luidt: “In alle bestemmingsgebieden kunnen, naast de handelingen die gericht zijn op de verwezenlijking van de bestemming, ook handelingen worden vergund die gericht zijn op het sociaal-culturele of recreatieve medegebruik, voor zover ze door hun beperkte impact de verwezenlijking van de algemene bestemming niet in het gedrang brengen (…)”

De Raad past hierbij steeds twee stappen toe. Eerst gaat hij na of het lokaal bestuur nauwkeurig heeft geïnventariseerd welk gebruik er van het betrokken terrein zal worden gemaakt om uit te kunnen maken dat dit effectief sociaal-cultureel of recreatief is. Vervolgens beoordeeld hij of het lokaal bestuur is nagegaan of dit gebruik daadwerkelijk een beperkte impact heeft zodat het de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang brengt (zie o.m. RvS 22 maart 2024).

Uiteindelijk beslist de Raad van State keer op keer dat de pop-up bar in kwestie niet voldoet aan voormelde bepaling, nu het om een uitzonderingsgrond gaat die restrictief moet worden geïnterpreteerd.

Recent was dit ook weer het geval voor wat betreft de door de stad Geel principieel toegelaten pop-up bar Ganzerik (RvS nr. 267.104 van 19 juni 2026).

Pop-up bar Ganzerik

Met zijn arrest nr. 267.104 van 19 juni 2026 schorst de Raad van State wederom een besluit van het college van burgemeester en schepenen van de stad Geel van 11 mei 2026.

Dat besluit verleent een principiële goedkeuring voor het opzetten en uitbaten van pop-up bar Ganzerik in agrarisch gebied voor de periode van 23 mei tot 19 september 2026.

De Raad van State is van oordeel dat de uitbating van de betrokken feestlocatie niet kan worden ingepast in het door de toepasselijke regelgeving vereiste sociaal-culturele of recreatieve medegebruik.

Zij komt hierbij zelfs niet verder dan de eerste stap van de afwijkingstoets van artikel 4.4.1, §1 VCRO.

“13.      Het organiseren van een tijdelijke socio-culturele of recreatieve activiteit lijkt op het eerste gezicht niet het wezenlijke opzet van ‘De Ganzerik’.

Volgens de informatiebrochure waarop de aanvraag is gesteund, gaat het veeleer om een “invulling waar we een openbaar karakter combineren met een unieke verhuurlocatie voor B2B en B2C events”. Ook beoogd wordt een “veelzijdig podium [aan te bieden] voor een brede waaier aan activiteiten, waaronder evenementen, workshops, markten, tentoonstellingen en voorstellingen”, waarvoor een beroep wordt gedaan “op tal van lokale partners”.

De Ganzerik wil voorts een “eigentijds en onderscheidende trouwlocatie [aanbieden] in het hart van de Kempen”.

Hetgeen door de bestreden beslissing een “pop-up bar” wordt genoemd, lijkt prima facie dan ook veeleer een eventlocatie voor zowel publieke als private events.

  1. Daarbij komt dat de eventlocatie prima facie niet los kan worden gezien van de bestaande feestzalen. De bestreden beslissing maakt overigens uitdrukkelijk melding van een “uitbreiding in de vorm van 2 tijdelijke constructies aan een bestaande zaal”.

Blijvende nood aan zeer grondige motivering van elke toelating voor een pop-up bar

Dit arrest toont nogmaals aan dat een lokaal bestuur dat een zonevreemde pop-up bar toelaat, er dus goed aan doet de betrokken toelating zeer grondig te motiveren.

Eerst dient de overheid nauwkeurig te inventariseren welk gebruik er van het betrokken terrein zal worden gemaakt om te kunnen uitmaken of dit effectief sociaal-cultureel of recreatief is. Vervolgens dient de overheid na te gaan of dit gebruik daadwerkelijk een beperkte impact heeft zodat het de verwezenlijking van de algemene bestemming van het gebied niet in het gedrang brengt.

De recente uitbreiding van het Vrijstellingenbesluit lijkt hieraan niet te kunnen verhelpen.

Documenten

Gallerij