Raad voor Vergunningsbetwistingen bevestigt dat 1) een ‘financiële last’ als een van de vergunning afsplitsbare beslissing op zichzelf het voorwerp kan uitmaken van een jurisdictioneel beroep en 2) er vanaf 1 januari 2024 enkel nog maar een financiële last kon worden opgelegd op basis van een stedenbouwkundige verordening.

Raad voor Vergunningsbetwistingen bevestigd dat 1) een ‘financiële last’ als een van de vergunning afsplitsbare beslissing op zichzelf het voorwerp kan uitmaken van een jurisdictioneel beroep en 2) er vanaf 1 januari 2024 enkel nog maar een financiële last kon worden opgelegd op basis van een stedenbouwkundige verordening.

Met behulp van het decreet van 26 mei 2023 betreffende het realisatiegerichte instrumentarium (verder: het “Instrumentendecreet”) heeft de Vlaamse decreetgever de ‘lasten’ bij de omgevingsvergunning al enige tijd geleden geoptimaliseerd.

Over de wijze waarop met deze optimalisatie, meer in het bijzonder het hierin vervatte gewijzigde decretale kader voor de ‘financiële lasten’, in de praktijk moet worden omgegaan, sprak de Raad voor Vergunningsbetwistingen zich recent uit in een betekenisvol arrest (RvVb 9 oktober 2025, nr. RvVb-A-2526-0090).

Voorafgaand: Middels het Instrumentendecreet gewijzigd decretaal kader voor het opleggen van ‘lasten’ bij een omgevingsvergunning

Lasten zijn, zoals u weet, verplichtingen die een overheid bij het verlenen van een omgevingsvergunning aan een aanvrager kunnen worden opgelegd in natura of als financiële last. Ze vinden hun oorsprong in voordeel dat begunstigde van vergunning haalt, en in bijkomende taken die overheid door uitvoering van vergunning op zich moet nemen. De lasten verbonden aan een stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning of een omgevingsvergunning, zijn een manier om ruimtelijke ingrepen proportioneel te compenseren (Parl.St. Vl.Parl., 2019-2020, nr. 194/1, p. 53).

Het Instrumentendecreet heeft de ‘lasten’ bij de omgevingsvergunning geoptimaliseerd, waarbij onder meer:

  • een rechtsgrond werd gegeven aan de last in de vorm van een financiële bijdrage;
  • werd bepaald dat financiële lasten bij omgevingsvergunning enkel nog met een verordening konden worden opgelegd;
  • werd voorzien dat financiële lasten moesten worden ingezet voor het ‘ruimtelijk beleid’.

Hiertoe werd door het Instrumentendecreet onder meer artikel 75 van Omgevingsvergunningsdecreet volledig gewijzigd. Dit artikel kreeg een volledige nieuwe tekst met een aangepast toepassingsgebied, een duidelijke opsomming van de soorten lasten, en een overzicht van de toepasselijke principes:

“Art. 75. §1. De bevoegde overheid kan aan een omgevingsvergunning lasten verbinden.

De bevoegde overheid neemt de volgende lasten op bij een omgevingsvergunning:

1° de lasten die de gemeenteraad heeft opgelegd bij de beslissing over de aanleg, wijziging, verplaatsing of opheffing van de gemeenteweg, vermeld in artikel 31;

2° de lasten met het oog op de verwezenlijking van een bescheiden woonaanbod als voldaan is aan de uitsluitende voorwaarde, vermeld in artikel 5.100 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021;

3° de lasten die de gemeenteraad met toepassing van artikel 5.6.11, §4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening heeft opgelegd bij de volledige of gedeeltelijke vrijgave van een woonreservegebied;

4° de lasten bij toepassing van de volgende afwijkingsregels van stedenbouwkundige voorschriften van titel 4, hoofdstuk 4, van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening:

  1. a) de afwerkingsregel conform artikel 4.4.3 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening;
  2. b) de basisrechten voor zonevreemde constructies conform artikel 4.4.10 tot 4.4.20 van dezelfde codex;
  3. c) de zonevreemde functiewijzigingen conform artikel 4.4.23 van dezelfde codex.
  • 2. Die lasten vinden hun oorsprong in het voordeel dat de begunstigde van de omgevingsvergunning uit die vergunning haalt en in de bijkomende taken die de overheid door de uitvoering van de vergunning op zich neemt.

De lasten zijn redelijk in verhouding tot het vergunde project. Ze kunnen worden verwezenlijkt door toedoen van de aanvrager.

De bevoegde overheid kan een gefaseerde uitvoering van de lasten voorschrijven.

  • 3. De lasten, vermeld in paragraaf 1, kunnen betrekking hebben op:

1° de verwezenlijking of de renovatie van groene ruimten, ruimten voor openbaar nut, openbare gebouwen, infrastructuur om de mobiliteit, nutsvoorzieningen of woningen op kosten van de vergunninghouder te verbeteren. Vóór er lasten voor nutsvoorzieningen worden opgelegd, vraagt de bevoegde overheid, de ambtenaar die ze gemachtigd heeft of in voorkomend geval de gemeentelijke omgevingsambtenaar advies aan de nutsmaatschappijen die actief zijn in de gemeente waarin het voorwerp van de vergunning ligt. Daarbij wordt gestreefd naar het gelijktijdig aanleggen van nutsvoorzieningen, waardoor de hinder ten gevolge van die aanleg zo veel mogelijk wordt beperkt;

2° de bewerkstelliging van een vermenging van kavels die tegemoetkomen aan de behoeften van diverse maatschappelijke groepen op grond van de grootte van de kavels, respectievelijk de typologie, de kwaliteit, de vloeroppervlakte, het volume of de lokalenindeling van de woningen die erop opgericht worden, of van de op te stellen vaste of verplaatsbare constructies die voor bewoning kunnen worden gebruikt;

3° de gratis, vrij en onbelaste grondafstand bij eigendomsoverdracht van de in de vergunningsaanvraag vermelde openbare wegen, groene of verharde ruimten, openbare gebouwen, nutsvoorzieningen, of de gronden waarop die worden of zullen worden aangelegd;

4° de storting van een geldwaarde, bestemd voor het ruimtelijk beleid, op voorwaarde dat dit geregeld wordt in een stedenbouwkundige verordening als vermeld in artikel 2.3.1 en 2.3.2 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.

  • 4. De lasten in natura, vermeld in paragraaf 3, 1° tot en met 3°, bevinden zich in of in de nabijheid van projecten die de lasten doen ontstaan. Ze worden in de vergunning bepaald op basis van de aard en de te verwachten gevolgen van het project.

De inkomsten van de financiële lasten, vermeld in paragraaf 3, 4°, worden door de bevoegde overheid aangewend voor het ruimtelijk beleid. De bevoegde overheid bewerkstelligt bij de opmaak van haar begrotingen dat ten minste een equivalent van de in het vorige begrotingsjaar doorgestorte inkomsten bestemd wordt binnen het ruimtelijke beleid, zoals in het bijzonder het voldoen van planschadevergoedingen en de aanwending van het instrument planologische ruil. Onder planologische ruil wordt verstaan: de omwisseling van gebiedsbestemmingen vanuit een samenhangende visie op de duurzame ruimtelijke ordening van het volledige plangebied.

De bevoegde overheid kan beslissen om de bedragen van de lasten van meerdere vergunningen aan te wenden om gelijke handelingen en werken te verwezenlijken, als geen enkele bijdrage afzonderlijk zou volstaan om de verwezenlijking ervan volledig te financieren.

  • 5. Bij een overdracht van een omgevingsvergunning blijft de overdragende partij gehouden tot de goede uitvoering van de lasten totdat de overdracht gerealiseerd is, waarop de nieuwe vergunninghouder vervolgens gehouden is de lasten uit te voeren.” (eigen nadruk)

Arrest Raad voor Vergunningsbetwistingen van 9 oktober 2025

Artikel 75 Omgevingsvergunningsdecreet bepaalt sindsdien dat de vergunningverlenende overheid onder meer financiële lasten kan verbinden aan een omgevingsvergunning en dat die lasten hun oorsprong vinden in het voordeel dat de begunstigde van de omgevingsvergunning uit die vergunning haalt en in de bijkomende taken die de overheid door de uitvoering van de vergunning op zich neemt.

Naar het oordeel van de Raad voor Vergunningsbetwistingen, die zich hierover diende uit te spreken in haar recent van 9 oktober 2025 (nr. RvVb-A-2526-0090), maakt een dergelijk ‘last’ geen deel uit van de vergunning, maar wordt deze bijkomend aan de vergunning opgelegd. Om deze reden is de Raad van oordeel dat een ‘last’ een van de vergunning afsplitsbare beslissing is en zij aldus kan overgaan tot een gedeeltelijke vernietiging die beperkt is tot de last die verbonden is aan de bestreden beslissing. Door de Raad werd in dit arrest aldus bevestigd dat een ‘financiële last’ als een van de vergunning afsplitsbare beslissing op zichzelf het voorwerp kan uitmaken van een jurisdictioneel beroep.

Bovendien werd in dit arrest door de Raad bevestigd dat omwille van het feit dat het Instrumentendecreet op 1 januari 2024 in werking trad, sinds die datum enkel nog maar een financiële last door de vergunningverlenende overheid kon worden opgelegd bij een omgevinsvergunning als dit geregeld was in een stedenbouwkundige verordening, zoals bedoeld in artikel 2.3.1 en 2.3.2 van de VCRO. Én dat deze voorwaarde ook gold voor aanvragen die vóór 1 oktober 2024 werden ingediend.

Wat nu?

Het is niet uitgesloten dat een vergunningverlenende overheid zich vandaag nog moet uitspreken over vergunningsaanvragen ingediend vóór 1 oktober 2024. Als bij de behandeling hiervan het opleggen van een financiële last wordt overwogen, moet deugdelijk worden nagegaan of deze ‘last’ een rechtsgrond kan vinden in een verordening in de zin van de artikelen 2.3.1 en 2.3.2 VCRO. De Raad lijkt artikel 75 Omgevingsvergunningsdecreet namelijk erg strikt toe te passen.

Hierbij kan tevens de vraag gesteld worden of de Raad ook ten aanzien van de bestaande oude praktijk rond het opleggen van een ‘bouwtaks’ op grond van een gemeentelijk belastingreglement naar de toekomst toe eenzelfde stringente houding zal inhouden. Ook hierbij zou discussie kunnen ontstaan over het feit of de ruimtelijke grondslag hiervan, en dus ook het hieraan gekoppelde ruimtelijk beleid, niet in het geëigende ruimtelijk instrument, namelijk de verordening, moet worden geregeld. Om deze reden, en na onderhavig arrest van de Raad van 9 oktober 2025 nog meer, raadden wij aan om proactief te overwegen om dergelijke belastingreglementen zeker mee op te nemen in het ruimere kader van de financiële lasten in een nieuwe verordening.

Documenten

Externe linken